Het strenge vergoedingsbeleid raakt niet alleen patiënten, maar maakt Nederland ook minder aantrekkelijk voor de ontwikkeling van innovaties

Door nieuwe dure medicijnen dreigen de medicijnuitgaven komende twee jaar te verdubbelen. De overheid beperkt de kostenstijging met strenge toelatingscriteria en scherpe prijsonderhandelingen waardoor middelen niet of pas later beschikbaar komen. Het strenge vergoedingsbeleid raakt niet alleen patiënten, maar maakt Nederland ook minder aantrekkelijk voor de ontwikkeling van innovaties.

De relatief lage geneesmiddelenuitgaven van de Nederlandse overheid zijn niet houdbaar. Afgelopen jaren leidde het strenge vergoedingsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) al geregeld tot tekorten van medicijnen bij de apotheek. Daarnaast ontwikkelen wetenschappers in rap tempo nieuwe behandelingen voor vooral kanker, en in mindere mate voor andere veelvoorkomende ziekten. Bovendien kampen steeds meer Nederlanders met ziekten.

Ondertussen wil de Verenigde Staten (VS) dat andere landen meer gaan betalen voor geneesmiddelen. Doorgaans zijn de medicijnprijzen in de VS een stuk hoger dan in andere rijke landen. Vorig jaar verkondigde president Donald Trump nieuw beleid onder de naam Most Favored Nation Policy. Met dit beleid maximeren de VS prijzen voor medicijnen op het laagste niveau dat in vergelijkbare landen betaald wordt.

Dit beleid maakt dat farmaceuten extra gebaat zijn bij hogere prijzen in vergelijkbare landen. Daarnaast committeren sommige farmaceuten zich tijdens prijsonderhandelingen ook aan extra investeringen in de VS. Hoewel de VS in hun vergelijking de Nederlandse medicijnprijzen niet direct meenemen, is dit een goed moment om het vergoedingsbeleid voor innovatieve middelen te herzien.

Ruime vergoedingen zijn namelijk niet alleen belangrijk voor de gezondheid van patiënten, maar ook voor het innovatieklimaat in Nederland dat momenteel steeds verder achterloopt op China en de VS. Om wetenschap, onderzoek en biofarmaceutische bedrijvigheid te behouden moet de Nederlandse overheid bereid zijn om meer te betalen voor levensreddende innovaties. Het ontwikkelen van nieuwe middelen is uitdagend omdat daar jaren aan kostbaar en onzeker onderzoek aan voorafgaan. Zolang de vergoedingen voor nieuwe middelen onder de maat blijven, investeren biofarmaceuten vooral in bewezen domeinen met een aantrekkelijke afzetmarkt. Daarmee blijft innovatie uit.

Het is aannemelijk dat hogere geneesmiddelenuitgaven zichzelf terugverdienen. De verdiensten komen vooral uit meer gewerkte uren dankzij gewonnen levensjaren, besparingen van andere zorgkosten en uit werkgelegenheid bij en belastinginkomsten van lucratieve biofarmaceutische bedrijven. Deze verdiensten worden vooral gerealiseerd als nieuwe geneesmiddelen echt vernieuwend en effectief zijn. De risicovolle investeringen in innovatie moeten gecompenseerd worden met ruime vergoedingen, directe markttoelating en minder strenge effectiviteitseisen.

Middelen in de wacht uit angst voor hoge kosten
Bij nieuwe middelen duurt het lang voordat de toegevoegde waarde voor patiënten is bewezen. Na een wetenschappelijke ontdekking wordt eerst een patent aangevraagd en daarna worden vier fases van klinisch onderzoek doorlopen. In de eerste fase wordt de veiligheid van een middel getest op gezonde proefpersonen, in de tweede fase wordt de werkzaamheid op een kleine groep patiënten onderzocht en in de derde fase vindt aanvullend onderzoek plaats op een grotere patiëntenpopulatie. Bij succesvolle resultaten wordt het middel vervolgens goedgekeurd door toezichthouders zoals het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) in Europa of de Food and Drug Administration (FDA) in de VS. Na die goedkeuring mag het middel commercieel verstrekt worden en dan start de vierde fase, die een uitgebreide monitoring op een nog grotere patiëntgroep behelst.

Na goedkeuring door de EMA onderzoekt Zorginstituut Nederland of het middel vergoed moet worden in Nederland. Het Zorginstituut adviseert de minister van VWS welke middelen in aanmerking komen voor vergoeding. Dure geneesmiddelen worden eerst in de zogeheten sluis geplaatst. Tijdens de periode in de sluis wordt het middel niet vergoed en onderzoekt het Zorginstituut of het middel effectief is en of de baten opwegen tegen de kosten. Na een positief advies onderhandelen biofarmaceuten met het ministerie van VWS over de prijs van hun middel.

Dankzij de beoordeling van het Zorginstituut en de prijsonderhandeling van VWS blijven de zorgkosten in bedwang. Het Zorginstituut houdt zicht op nieuwe middelen met hun zogeheten Horizonscan Geneesmiddelen. Daarin staan alle geneesmiddelen die in de komende twee jaar naar verwachting door de EMA worden goedgekeurd en wat een middel jaarlijks grofweg gaat kosten.

De jaarlijkse kosten van alle middelen die verwacht worden in de Horizonscan tellen op tot 35 miljard euro. Dat is bijna vijf keer de totale Nederlandse uitgaven aan geneesmiddelen in 2023. Meerdere van deze middelen richten zich op dezelfde aandoening, waarbij waarschijnlijk alleen het meest kosteneffectieve middel vergoed wordt. Als voor elke aandoening komende jaren één nieuw middel vergoed wordt, bedragen de jaarlijkse kosten ongeveer 8 miljard euro, becijfert ABN AMRO. Dat is ruim een verdubbeling ten opzichte van de geneesmiddelenuitgaven van 2023.

Trage vergoeding middelen remt innovatie
De toename aan medicijnen legt niet alleen druk op de uitgaven, maar verhoogt ook de wachttijd voor patiënten omdat onderzoek van het Zorginstituut steeds langer duurt. In 2025 moesten Nederlandse patiënten gemiddeld 493 dagen wachten na goedkeuring van een nieuw middel door de EMA. Dat is een verdubbeling ten opzichte van de wachttijd van 252 dagen in 2019, zo blijkt uit onderzoek van de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA).

Dat de introductie van nieuwe middelen in Nederland lang op zich laten wachten blijkt ook uit de omvang van de eerdergenoemde sluis van het Zorginstituut. Van 51 geneesmiddelen in de sluis waren begin dit jaar 48 wel vergoed in Duitsland en 25 in België maar nog niet in Nederland, zoals blijkt uit een analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG).

Vanwege de trage introductie van nieuwe middelen verdwijnt de ontwikkeling hiervan uit Nederland. Het is namelijk problematisch om patiënten na deelname in de derde onderzoeksfase een middel te ontzeggen omdat het uiteindelijk niet vergoed wordt. Farmaceuten kunnen het middel blijven verstrekken via een zogeheten ‘free of charge’-programma, waarbij een patiënt ook zonder vergoeding het middel kan blijven gebruiken. Dat brengt echter kosten met zich mee en is lastig te verantwoorden richting andere Nederlandse patiënten die het middel alsnog niet mogen gebruiken.

Vanwege de beperkte en trage vergoeding neemt het aantal klinische onderzoeken in Nederland nauwelijks toe. In  China, de VS en andere Europese landen is die toename echter aanzienlijk. Zo vervijfvoudigde het aantal klinische studies die in China zijn uitgevoerd van ruim 5.000 in 2014 naar bijna 25.000 in 2024, zoals blijkt uit cijfers van de World Health Organization (WHO).

Het strenge vergoedingsbeleid brengt farmaceuten in een lastige positie. Michael Moran, Medical Director Nederland bij biofarmaceut AbbVie, hoopt dat de situatie snel verbetert: “We willen graag meer klinische studies in Nederland uitvoeren. De aanwezige kennis is waardevol en de samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen en artsen loopt soepel.” Toch is het voor Moran steeds lastiger om internationale collega’s te overtuigen: “Gezien de problemen van de markttoegang wijken nieuwe studies van AbbVie soms uit naar andere Europese landen. Het is lastig hard te maken waarom een medicijn in Nederland ontwikkeld moet worden, als de Nederlandse patiënt er uiteindelijk geen gebruik van kan maken.”

Wanneer onderzoekers naar andere landen uitwijken remt dat de kennisontwikkeling in Nederland. Zo stelt Moran dat “artsen mogelijk ook verhuizen als studies in hun aandachtsgebied voornamelijk in andere landen plaatsvinden”. Op die manier schaadt het strenge Nederlandse vergoedingsbeleid dus het innovatieklimaat. Het verslechterde innovatieklimaat is al terug te zien in de beperkte toename van ingediende biofarmaceutische patenten in Nederland.

Maak in vergoedingsbeleid ruimte voor disruptieve innovaties
Om de zorg betaalbaar te houden is het van belang dat Zorginstituut Nederland en VWS grip houden op de vergoeding voor nieuwe geneesmiddelen. Toch is het belangrijk om innovatie te stimuleren zodat patiënten goede zorg krijgen en Nederland voorop blijft lopen in medische ontwikkeling.

Het stimuleren van innovatie blijkt lastig. Zo stelt het Zorginstituut dat niet alle nieuwe middelen daadwerkelijk waarde toevoegen voor de patiënt: “Nieuw is helaas niet altijd beter of nog meer geld waard”, schrijft voorzitter van het Zorginstituut Mark Janssen in zijn column op Zorgvisie. Daarbij verwijst hij naar het systeem in Duitsland waar middelen direct vergoed worden, maar waardoor de kosten harder stijgen dan in Nederland.

Uit de Horizonscan blijkt dat de komende jaren vooral veel nieuwe middelen verschijnen voor oncologie. In mindere mate verschijnen nieuwe middelen voor neurologische aandoeningen en immuunziekten, terwijl de zorgkosten en ziektelast in beide domeinen op dit moment hoger liggen dan bij oncologie. Innovatieve geneesmiddelen die effectief blijken beperken zowel de zorgkosten als de ziektelast. Dat in andere domeinen dan oncologie het aantal nieuwe middelen achterblijft heeft vooral te maken met de uitdaging om een succesvol nieuw middel te ontwikkelen in deze domeinen. Zolang compensatie voor die onzekerheid uitblijft zijn andere domeinen minder aantrekkelijk voor biofarmaceuten.

Het ministerie van VWS ziet ook minder doorbraken in bepaalde domeinen. VWS betoogt dat de ontwikkeling van nieuwe medicijnen voor onder andere artrose, beroerte, COPD, dementie en stemmingsstoornissen achterblijft. Juist daar moet innovatie worden aangejaagd met financiële middelen en zekerheid. Zo kan het ministerie een verlanglijstje opstellen voor nieuwe medicijnen, hogere vergoedingen hanteren voor zulke middelen en minder strenge bewijslast voor effectiviteit hanteren.

Met een directe vergoeding zoals in Duitsland kunnen biofarmaceuten makkelijker de effectiviteit van een nieuw middel bewijzen. De vergoeding biedt een inkomstenbron om aanvullend onderzoek en ontwikkeling mee te bekostigen. Die bedrijvigheid versterkt de aanwezige kennis en het verdienvermogen van Nederland. Zo verdienen uitgaven aan nieuwe middelen zich niet alleen terug met gezondheidswinst, maar ook met economische groei.

Bron: ABN AMRO